Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 2,00 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 1,00 (6% inclusief btw)
Dit product moet worden goedgekeurd door de apotheker.
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
Apidra® is een glucoseverlagend middel dat wordt gebruikt om een hoge bloedglucosespiegel te verlagen bij patiënten met diabetes mellitus. Het kan voorgeschreven worden aan volwassenen, adolescenten en kinderen van 6 jaar en ouder. Diabetes mellitus is een ziekte waarbij uw lichaam niet voldoende insuline produceert om het bloedglucosegehalte te reguleren.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Terugvinden herkomst Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden. Overschakeling van een patiënt op een ander type of merk insuline dient onder strikt medisch toezicht plaats te vinden. Veranderingen in de sterkte, het merk (fabrikant), het type (gewoon, neutraal protamine Hagedorn [NPH], lente, langwerkend, enz.), herkomst (dierlijk, humaan, humane insuline�analoog) en/of productiemethode kunnen een wijziging van de dosis nodig maken. De gelijktijdige behandeling met orale glucoseverlagende middelen moet mogelijk worden aangepast. Patiënten moeten worden geïnstrueerd om de injectieplaats telkens af te wisselen om het risico op het ontstaan van lipodystrofie en cutane amyloïdose te beperken. Er bestaat een potentieel risico op vertraagde insuline-absorptie en verslechterde glykemische regulatie na insuline-injecties op plaatsen waar deze reacties optreden. Er is gemeld dat een plotselinge verandering van injectieplaats naar een niet-aangedaan gebied resulteerde in hypoglykemie. Controle van de bloedglucosespiegel wordt aanbevolen na de verandering van injectieplaats, en dosisaanpassing van antidiabetica kan worden overwogen. Hyperglykemie Het gebruik van ontoereikende doses of het staken van de behandeling kan, vooral bij insulineafhankelijke diabetici, leiden tot hyperglykemie en diabetische ketoacidose, verschijnselen die dodelijk kunnen zijn. Hypoglykemie Het tijdstip waarop zich een hypoglykemie voordoet is afhankelijk van het werkingsprofiel van de gebruikte insuline en kan daarom veranderen als het behandelschema gewijzigd wordt. De eerste waarschuwingssymptomen van hypoglykemie kunnen gewijzigd of minder uitgesproken zijn als gevolg van het feit dat de diabetes al langer aanwezig is, door een intensievere insulinebehandeling, door zenuwafwijkingen als gevolg van diabetes, geneesmiddelen zoals bèta�blokkers, of na overschakeling van dierlijke naar humane insuline. Dosisaanpassing kan ook nodig zijn als de patiënt lichamelijk actiever wordt of als de etenstijden veranderen. Lichaamsbeweging meteen na een maaltijd kan de kans op hypoglykemie verhogen. Na injectie met snelwerkende analoge preparaten treedt een eventuele hypoglykemie eerder op dan wanneer oplosbare humane insuline is gebruikt. Onbehandelde hypoglykemische of hyperglykemische reacties kunnen bewusteloosheid, coma of de dood veroorzaken. Bij ziekte of emotionele stoornissen kan de insulinebehoefte veranderen. Apidra 100 Eenheden/ml oplossing voor injectie in patroon Insulinepennen die gebruikt moeten worden met Apidra 100 eenheden/ml oplossing voor injectie in een patroon Apidra 100 eenheden/ml in patronen is alleen geschikt voor subcutane injecties uit een herbruikbare pen. Als toediening met een injectiespuit, intraveneuze injectie of infusiepomp noodzakelijk is, moet een injectieflacon worden gebruikt. De Apidra patronen dienen alleen gebruikt te worden met de volgende insulinepennen: - JuniorSTAR die Apidra levert in stappen van 0,5 eenheid - ClikSTAR, Tactipen, Autopen 24, AllStar en AllStar PRO die allemaal Apidra leveren in stappen van 1 eenheid. Deze patronen mogen niet worden gebruikt met enige andere herbruikbare insulinepen, omdat de doseringsnauwkeurigheid alleen met de genoemde insulinepennen is vastgesteld. Niet al deze insulinepennen hoeven in uw land in de handel te zijn. Medicatiefouten Er zijn medicatiefouten gemeld waarbij andere insulines, met name langwerkende insulines, onopzettelijk zijn toegediend in plaats van insuline glulisine. Het insuline-etiket dient altijd te worden gecontroleerd vóór elke injectie om medicatievergissingen tussen insuline glulisine en andere insulines te voorkomen. Apidra 100 Eenheden/ml oplossing voor injectie in injectieflacon Continue subcutane insuline-infusie Storingen in de insulinepomp of in het infusiemateriaal of fouten bij het hanteren kunnen snel leiden tot hyperglykemie, ketose en diabetische ketoacidose. Snelle identificatie en correctie van de oorzaak van hyperglykemie of ketose of diabetische ketoacidose is noodzakelijk. Gevallen van diabetische ketoacidose zijn gemeld wanneer Apidra werd toegediend met continue subcutane insuline-infusie in pompsystemen. De meeste gevallen waren gerelateerd aan fouten bij het hanteren of storingen in het pompsysteem. Tussentijdse subcutane injecties met Apidra kunnen noodzakelijk zijn. Patiënten die continue subcutane insuline-infusiepomptherapie volgen, dienen te worden getraind in het toedienen van insuline door middel van injectie en dienen een ander insulinetoedieningssysteem bij de hand te hebben voor het geval dat het pompsysteem faalt (zie rubrieken 4.2 en 4.8). Hulpstoffen Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol (23 mg) natrium per dosis, dit betekent in essentie "natriumvrij".
Apidra bevat metacresol, dat allergische reacties kan veroorzaken. Combinatie van Apidra met pioglitazon Gevallen van hartfalen zijn gemeld wanneer pioglitazon is gebruikt in combinatie met insuline, in het bijzonder bij patiënten met een verhoogd risico op de ontwikkeling van hartfalen. Dit moet in overweging worden genomen indien behandeling met de combinatie van pioglitazon en Apidra wordt overwogen. Indien deze combinatie wordt gebruikt, dienen patiënten te worden geobserveerd op klachten en verschijnselen van hartfalen, gewichtstoename en oedeem. Gebruik van pioglitazon dient te worden gestaakt indien er enige verslechtering in cardiale symptomen optreedt.
Diabetes mellitus
Insuline glulisine is een recombinante humane insuline analoog met een even krachtige werking als kortwerkende humane insuline. Insuline glulisine werkt sneller en korter dan kortwerkende humane insuline.
De primaire activiteit van insulines en analoge insulinepreparaten, inclusief insuline glulisine, is de regulering van het glucosemetabolisme. Insulines verlagen de bloedglucosespiegel door stimulering van de perifere glucoseopname, vooral door skeletspieren en vet, en door remming van de glucoseproductie in de lever. Insuline remt de vetafbraak in de vetcellen, remt de eiwitafbraak en verhoogt de eiwitsynthese.
Onderzoek bij gezonde proefpersonen en diabetespatiënten heeft aangetoond dat de werking van insuline glulisine bij subcutane toediening sneller begint en korter duurt dan die van kortwerkende humane insuline. Als insuline glulisine subcutaan wordt geïnjecteerd begint de glucoseverlagende werking binnen 10 – 20 minuten. Bij intraveneuze toediening is het glucoseverlagende effect van insuline glulisine en kortwerkende humane insuline hetzelfde. Een eenheid insuline glulisine heeft dezelfde glucoseverlagende werking als een eenheid kortwerkende humane insuline.
Iedere ml bevat 100 Eenheden insuline glulisine (overeenkomend met 3,49 mg).
Hulpstoffen:
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie Er is geen onderzoek gedaan naar de farmacokinetische interacties. Op basis van empirische gegevens betreffende gelijksoortige geneesmiddelen is het onwaarschijnlijk dat er klinisch relevante farmacokinetische interacties optreden. Een aantal middelen heeft invloed op het glucosemetabolisme, waardoor dosisaanpassing van insuline glulisine en vooral een goede controle nodig zijn. Middelen die de bloedglucoseverlagende activiteit versterken en de gevoeligheid voor hypoglykemie verhogen zijn o.a. orale glucoseverlagende geneesmiddelen, angiotensine-converterend enzym (ACE)- remmers, disopyramide, fibraten, fluoxetine, mono-amino-oxidase-remmers (MAOIs), pentoxifylline, propoxyfeen, salicylaten en sulfonamidenantibiotica. Middelen die de bloedglucoseverlagende activiteit verminderen zijn o.a. corticosteroïden, danazol, diazoxide, diuretica, glucagon, isoniazide, fenothiazinederivaten, somatropine, sympathicomimetica (bijvoorbeeld epinefrine [adrenaline], salbutamol, terbutaline), schildklierhormonen, oestrogenen, progesteronpreparaten (bijvoorbeeld bij orale anticonceptiva), proteaseremmers en atypische antipsychotica (bijvoorbeeld olanzapine en clozapine). Bètablokkers, clonidine, lithiumzouten of alcohol kunnen de bloedglucoseverlagende werking van insuline versterken of verminderen. Pentamidine kan hypoglykemie veroorzaken, die soms wordt gevolgd door hyperglykemie. Bovendien kunnen, onder invloed van sympathicolytische geneesmiddelen zoals bètablokkers, clonidine, guanethidine en reserpine, de symptomen van adrenergische contraregulatie verminderd of afwezig zijn.
4.8 Bijwerkingen Samenvatting van het veiligheidsprofiel Hypoglykemie, de meest frequente bijwerking van een behandeling met insuline, kan optreden als de dosis insuline te hoog is in verhouding tot de insulinebehoefte. Bijwerkingentabel De volgende bijwerkingen zijn tijdens klinische studies waargenomen en volgen hieronder ingedeeld naar orgaansysteem classificatie en in volgorde van afnemend voorkomen (zeer vaak: ≥1/10; vaak: ≥1/100, <1/10; soms: ≥1/1000, <1/100; zelden: ≥1/10.000, <1/1000; zeer zelden: <1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst. Systeem/orgaanklassen volgens gegevensbank MedDRA Zeer vaak Vaak Soms Zelden Niet bekend Voedings- en stofwisselingsstoornissen Hypoglykemie Hyperglykemie (mogelijk leidend tot diabetische ketoacidose (1)) Huid- en onderhuidaandoeningen Injectieplaatsstoornissen Lokale overgevoeligheidsreacties Lipodystrofie Cutane amyloïdose Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen Systemische overgevoeligheidsreacties (1) Apidra 100 Eenheden/ml oplossing voor injectie in injectieflacon:.De meeste gevallen waren gerelateerd aan fouten bij het hanteren of storingen in het pompsysteem wanneer Apidra werd gebruikt met CSII. Beschrijving van bepaalde bijwerkingen • Voedings- en stofwisselingsstoornissen Symptomen van hypoglykemie treden meestal plotseling op. Deze kunnen inhouden: koude zweetuitbraken, bleek wegtrekken, vermoeidheid, nerveusheid of onwillekeurig trillen, angst, ongewone vermoeidheid of zwakheid, verwardheid, concentratieproblemen, sufheid, buitengewone honger, verandering van gezichtsvermogen, hoofdpijn, misselijkheid en hartkloppingen. Hypoglykemie kan ernstig worden en leiden tot bewustzijnsverlies en/of stuiptrekkingen en kan resulteren in tijdelijk of onherstelbaar verlies van hersenfunctie en zelfs tot dood. Apidra 100 Eenheden/ml oplossing voor injectie in injectieflacon Gevallen van hyperglykemie zijn gemeld bij het gebruik van Apidra met CSII (zie rubriek 4.4) die hebben geleid tot diabetische ketoacidose (DKA); de meeste gevallen waren gerelateerd aan fouten bij het hanteren of storingen in het pompsysteem. De patiënt dient altijd de Apidra-specifieke instructies te volgen en moet altijd toegang hebben tot een alternatief insulinetoedieningssysteem voor het geval dat het pompsysteem faalt. • Huid- en onderhuidaandoeningen Lokale overgevoeligheidsreacties (roodheid, zwelling en jeuk op de injectieplaats) kunnen optreden bij de behandeling met insuline. Deze reacties zijn meestal van voorbijgaande aard en verdwijnen meestal bij aanhoudende behandeling. Lipodystrofie en cutane amyloïdose kunnen optreden op de injectieplaats en kunnen de plaatselijke insuline-absorptie vertragen. Het continue afwisselen van de injectieplaats binnen eenzelfde gebied kan helpen deze reacties te verminderen of te voorkomen (zie rubriek 4.4). • Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen Systemische overgevoeligheidsreacties kunnen inhouden: huiduitslag (inclusief jeuk, galbulten) over het gehele lichaam, benauwdheid op de borst, ademnood, allergische huidonsteking en jeuk. Ernstige algemene allergieën, inclusief een anafylactische reactie, kunnen levensbedreigend zijn. Melding van vermoedelijke bijwerkingen Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V. 4.9 Overdosering Symptomen Als gevolg van een verhoogde insulineactiviteit in verhouding tot de hoeveelheid voedsel en het energieverbruik kan hypoglykemie optreden. Er zijn geen specifieke gegevens beschikbaar over overdosering van insuline glulisine. Via diverse opeenvolgende stadia kan echter hypoglykemie ontstaan.
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in "Samenstelling" vermelde hulpstoffen.
Hypoglykemie.
6.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Zwangerschap Er zijn geen of een beperkte hoeveelheid gegevens (minder dan 300 zwangerschapsuitkomsten) over het gebruik van insuline glulisine bij zwangere vrouwen. Onderzoek naar de voortplanting bij dieren heeft geen verschil aangetoond tussen insuline glulisine en humane insuline wat betreft zwangerschap, embryonale/foetale ontwikkeling, de geboorte of de postnatale ontwikkeling (zie rubriek 5.3).
Voorzichtigheid is geboden bij het voorschrijven aan zwangere vrouwen. Het is zeer belangrijk de glucoseconcentraties zorgvuldig te controleren.
Voor patiënten met een al bestaande diabetes of zwangerschapsdiabetes is het essentieel dat de stofwisseling tijdens de zwangerschap goed gecontroleerd blijft. De insulinebehoefte kan gedurende het eerste trimester afnemen, en deze neemt gewoonlijk tijdens het tweede en derde trimester toe. Onmiddellijk na de bevalling neemt de insulinebehoefte snel af.
Borstvoeding Het is niet bekend of insuline glulisine in de moedermelk wordt uitgescheiden, maar in het algemeen komt insuline niet in de moedermelk terecht en wordt de stof na orale toediening niet geabsorbeerd. Het is mogelijk dat bij vrouwen die borstvoeding geven, aanpassing van de insulinedosering en het dieet nodig zijn.
Vruchtbaarheid Reproductiestudies met insuline glulisine bij dieren lieten geen nadelige effecten op de vruchtbaarheid zien.
Volwassenen en kinderen > 6 jaar
Toedieningswijze
| CNK | 2156719 |
|---|---|
| Organisaties | Sanofi |
| Breedte | 93 mm |
| Lengte | 121 mm |
| Diepte | 40 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 5 |
| Actieve ingrediënten | insuline glulisine |
| Behoud | Koelkast (2°C - 8°C) |