Novorapid Fl 1x10ml 100 U/ml
Op voorschrift
Geneesmiddel

Novorapid Fl 1x10ml 100 U/ml

  € 24,41

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 2,00 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 1,00 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt

  € 24,41
Op voorraad

Novorapid® is een insuline voor de behandeling van diabetes mellitus bij volwassenen, jongeren en kinderen vanaf 2 jaar. Novorapid® is een snelwerkende insuline.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik De patiënt moet een arts raadplegen voordat hij/zij reist tussen verschillende tijdzones, omdat dit kan betekenen dat de insuline-injecties en de maaltijden op andere tijdstippen moeten plaatsvinden. NovoRapid PumpCart Verkeerd gebruik van NovoRapid PumpCart De NovoRapid PumpCart is alleen voor gebruik met een insuline-infusiepompsysteem, dat ontwikkeld is voor gebruik met deze patroon, zoals de Accu-Chek Insight en YpsoPump insulinepompen. Het mag niet worden gebruikt met andere hulpmiddelen die niet ontworpen zijn voor NovoRapid PumpCart, omdat dit kan leiden tot een onjuiste dosering van insuline en daaropvolgende hyperglykemie of hypoglykemie. Hyperglykemie Een inadequate dosering of het staken van de behandeling kan, voornamelijk bij diabetes type 1, leiden tot hyperglykemie en diabetische ketoacidose. Gewoonlijk ontwikkelen de eerste symptomen van hyperglykemie zich geleidelijk over een periode van uren tot dagen. Deze symptomen kunnen zijn: dorst, frequentere mictie, misselijkheid, braken, sufheid, een rode droge huid, een droge mond en gebrek aan eetlust; ook kan de adem naar aceton ruiken. Onbehandelde hyperglykemie kan bij diabetes type 1 leiden tot diabetische ketoacidose, die de dood tot gevolg kan hebben. Hypoglykemie Het overslaan van een maaltijd of niet-geplande zware lichamelijke inspanning kan leiden tot hypoglykemie. Vooral bij kinderen moet men ervoor zorgen dat de insulinedoses (vooral bij basaal-bolus regimes) worden afgestemd op de voedselinname, lichaamsbeweging en bloedsuikerspiegel van dat moment om het risico op hypoglykemie te minimaliseren. Indien de insulinedosis te hoog is ten opzichte van de insulinebehoefte, kan er hypoglykemie optreden. In het geval van hypoglykemie of bij verdenking van hypoglykemie moet NovoRapid niet worden geïnjecteerd. Na stabilisatie van de bloedglucosespiegel van de patiënt moet een aanpassing van de dosis worden overwogen (zie rubrieken 4.8 en 4.9). Patiënten bij wie de bloedglucoseregulatie sterk verbeterd is door bijvoorbeeld een geïntensiveerde insulinetherapie, kunnen de voor hen gebruikelijke waarschuwingssymptomen van een hypoglykemie anders waarnemen. Zij dienen hierover geïnformeerd te worden. De gebruikelijke waarschuwingssymptomen kunnen bij patiënten die al lang diabetes hebben, verdwijnen. Een gevolg van de farmacodynamische eigenschappen van snelwerkende insuline-analogen is, dat een eventuele hypoglykemie bij deze analogen mogelijk eerder optreedt na een injectie dan bij oplosbare humane insuline. Aangezien de toediening van NovoRapid in rechtstreeks verband moet staan met het eten van een maaltijd, moet bij patiënten met bijkomende ziekten of bij patiënten die een behandeling krijgen waarbij een vertraagde voedselopname te verwachten is, rekening worden gehouden met de snelle werking van NovoRapid. Bijkomende ziekten, vooral infecties en ziekten die gepaard gaan met koorts, verhogen in het algemeen de insulinebehoefte van de patiënt. Bijkomende aandoeningen van de nier of de lever of aandoeningen die de werking van de bijnier, de hypofyse of de schildklier beïnvloeden, kunnen wijzigingen van de insulinedosis noodzakelijk maken. Wanneer patiënten worden overgeschakeld tussen verschillende types geneesmiddelen met insuline, kunnen zij de vroege waarschuwingssymptomen van hypoglykemie anders of minder goed waarnemen dan toen zij hun vorige insuline gebruikten. Overschakelen van andere geneesmiddelen met insuline Het overschakelen van een patiënt op een ander type of merk insuline moet geschieden onder strikt medisch toezicht. Veranderingen in sterkte, merk (fabrikant), type, oorsprong (dierlijke of humane insuline of humane insuline-analoog) en/of productiemethode (recombinant-DNA versus insuline van dierlijke oorsprong) kunnen een wijziging van de dosis noodzakelijk maken. Het is mogelijk dat patiënten die van een ander insulinetype zijn overgeschakeld op NovoRapid, dagelijks meer injecties of een andere dosis nodig hebben dan bij de geneesmiddelen met insuline die ze voorheen gebruikten. Indien een aanpassing nodig is, kan dit plaatsvinden bij de eerste dosis of gedurende de eerste paar weken of maanden. Reacties op de injectieplaats Zoals bij elke insulinetherapie, kunnen reacties op de injectieplaats optreden zoals pijn, roodheid, netelroos, ontsteking, blauwe plekken, zwelling en jeuk. Continu afwisselen van de injectieplaats binnen een gegeven gebied verkleint de kans op deze reacties. Deze reacties verdwijnen gewoonlijk binnen enkele dagen tot enkele weken. In zeldzame gevallen kunnen reacties op de injectieplaats de stopzetting van NovoRapid noodzakelijk maken. Huid- en onderhuidaandoeningen Patiënten moeten worden geïnstrueerd om de injectieplaats telkens af te wisselen om het risico op het ontstaan van lipodystrofie en cutane amyloïdose te beperken. Er bestaat een potentieel risico op vertraagde insuline-absorptie en verslechterde glykemische regulatie na insuline-injecties op plaatsen waar deze reacties optreden. Er is gemeld dat een plotselinge verandering van injectieplaats naar een niet-aangedaan gebied resulteerde in hypoglykemie. Controle van de bloedglucosespiegel wordt aanbevolen na de verandering van injectieplaats van een aangedaan naar een niet-aangedaan gebied, en dosisaanpassing van antidiabetica kan worden overwogen. Gebruik van NovoRapid in combinatie met pioglitazon Er zijn gevallen van hartfalen gemeld wanneer pioglitazon werd gebruikt in combinatie met insuline, in het bijzonder bij patiënten met risicofactoren voor het ontwikkelen van hartfalen. Hiermee moet rekening gehouden worden als een behandeling met de combinatie van pioglitazon en NovoRapid wordt overwogen. Als de combinatie wordt gebruikt, moeten patiënten gecontroleerd worden op klachten en verschijnselen van hartfalen, gewichtstoename en oedeem. De behandeling met pioglitazon moet gestaakt worden als verslechtering van cardiale symptomen optreedt. Vermijden van onbedoelde verwisselingen en medicatiefouten Patiënten moeten worden geïnstrueerd om altijd voor elke injectie het etiket van de insuline te controleren om onbedoelde verwisselingen tussen NovoRapid en andere insulineproducten te vermijden. Insuline-antilichamen Insulinetoediening kan de vorming van insuline-antilichamen veroorzaken. In zeldzame gevallen kan het door de aanwezigheid van dergelijke insuline-antilichamen noodzakelijk zijn de insulinedosis aan te passen om een neiging tot hyper- of hypoglykemie te corrigeren. Terugvinden herkomst Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden.

Diabetes mellitus

Het bloedglucoseverlagende effect van insuline aspart is het gevolg van een verbeterde opname van glucose na binding van insuline op de receptoren van spier- en vetcellen en de gelijktijdige remming van de glucoseafgifte vanuit de lever.

De werking van NovoRapid treedt sneller in dan die van oplosbare humane insuline. Tevens veroorzaakt NovoRapid een grotere daling van de glucoseconcentratie binnen de eerste vier uur na een maaltijd. NovoRapid werkt na subcutane injectie korter dan oplosbare humane insuline.

1 ml oplossing bevat 100 eenheden insuline aspart* (equivalent aan 3,5 mg). 1 injectieflacon bevat 10 ml, equivalent aan 1.000 eenheden.

hulpstoffen:

  • Glycerol
  • Fenol
  • Metacresol
  • Zinkchloride
  • Dinatriumfosfaatdihydraat
  • Natriumchloride
  • Zoutzuur (voor pH-instelling)
  • Natriumhydroxide (voor pH-instelling)12
  • Water voor injecties

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie Van een aantal geneesmiddelen is bekend dat ze een interactie hebben met het glucosemetabolisme. De volgende stoffen kunnen de insulinebehoefte van de patiënt verlagen: Orale bloedglucoseverlagende geneesmiddelen, monoamineoxidaseremmers (MAO-remmers), bètablokkers, angiotensine-converterend enzym (ACE)-remmers, salicylaten, anabole steroïden en sulfonamiden. De volgende stoffen kunnen de insulinebehoefte van de patiënt verhogen: Orale anticonceptiva, thiaziden, glucocorticoïden, schildklierhormonen, sympathicomimetica, groeihormoon en danazol. Bètablokkers kunnen de symptomen van hypoglykemie maskeren. Octreotide/lanreotide kunnen de insulinebehoefte verhogen of verlagen. Alcohol kan het hypoglykemische effect van insuline versterken of verminderen.

Lijst van bijwerkingen in tabelvorm De hierna vermelde bijwerkingen zijn gebaseerd op gegevens uit klinische studies en geclassificeerd naar frequentie en systeem/orgaanklassen volgens MedDRA. Frequentiecategorieën zijn gedefinieerd aan de hand van de volgende regel: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10), soms (≥ 1/1.000, < 1/100), zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

Immuunsysteemaan�doeningen Soms – Urticaria, rash, erupties Zeer zelden – Anafylactische reacties*

Voedings- en stofwisselingsstoornissen Zeer vaak – Hypoglykemie*

Zenuwstelselaandoeningen Zelden – Perifere neuropathie (pijnlijke neuropathie)

Oogaandoeningen Soms – Refractiestoornissen Soms – Diabetische retinopathie

Huid- en onderhuidaandoeningen Soms – Lipodystrofie* Niet bekend – Cutane amyloïdose*†

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen Soms – Reacties op de injectieplaats Soms – Oedeem

*Zie rubriek 4.8, Beschrijving van bepaalde bijwerkingen. † ADR (Adverse Drug Reaction) afkomstig van postmarketing bronnen.

Beschrijving van bepaalde bijwerkingen Anafylactische reacties: Gegeneraliseerde overgevoeligheidsreacties (waaronder gegeneraliseerde huiduitslag, jeuk, transpireren, gastro-intestinale klachten, angioneurotisch oedeem, ademhalingsproblemen, hartkloppingen en een verlaging van de bloeddruk) komen zeer zelden voor, maar kunnen levensbedreigend zijn.

Hypoglykemie: De vaakst gemelde bijwerking is hypoglykemie. Deze bijwerking kan optreden wanneer de insulinedosis te hoog is ten opzichte van de insulinebehoefte. Ernstige hypoglykemie kan leiden tot bewustzijnsverlies en/of convulsies en kan een tijdelijke of permanente beschadiging van de hersenfunctie of zelfs de dood tot gevolg hebben. De symptomen van hypoglykemie treden meestal plotseling op en kunnen onder andere bestaan uit koud zweet, een koele bleke huid, vermoeidheid, zenuwachtigheid of beven, angstgevoelens, ongewone moeheid of zwakte, verwardheid, concentratiestoornissen, sufheid, overmatig hongergevoel, visusstoornissen, hoofdpijn, misselijkheid en hartkloppingen. In klinische studies varieerde de frequentie van hypoglykemie met de patiëntenpopulatie, de dosisregimes en de mate van glykemische regulatie. Tijdens klinische studies was er geen verschil in de totale percentages hypoglykemie tussen patiënten die werden behandeld met insuline aspart en patiënten die werden behandeld met humane insuline.

Huid- en onderhuidaandoeningen: Lipodystrofie (waaronder lipohypertrofie, lipoatrofie) en cutane amyloïdose kunnen optreden op de injectieplaats en kunnen de plaatselijke insuline-absorptie vertragen. Het continue afwisselen van de injectieplaats binnen eenzelfde gebied kan helpen deze reacties te verminderen of te voorkomen (zie rubriek 4.4).

Pediatrische patiënten Gebaseerd op postmarketingbronnen en klinische studies wijzen de frequentie, soort en ernst van bijwerkingen die zijn waargenomen bij pediatrische patiënten niet op verschillen met de uitgebreidere ervaring bij de algemene populatie.

Andere speciale populaties Gebaseerd op postmarketingbronnen en klinische studies wijzen de frequentie, soort en ernst van bijwerkingen die zijn waargenomen bij oudere patiënten en patiënten met nier- of leverinsufficiëntie niet op verschillen met de uitgebreidere ervaring bij de algemene populatie.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in "Samenstelling" vermelde hulpstoffen.

Zwangerschap NovoRapid (insuline aspart) kan tijdens de zwangerschap worden gebruikt. Gegevens van twee gecontroleerde gerandomiseerde klinische studies (322 en 27 zwangerschappen blootgesteld) duiden er niet op dat insuline aspart bijwerkingen heeft op de zwangerschap of op de gezondheid van de foetus/het pasgeboren kind in vergelijking met humane insuline (zie rubriek 5.1). Bij zwangere vrouwen met diabetes mellitus (diabetes type 1, diabetes type 2 of zwangerschapsdiabetes) wordt geïntensiveerde bloedglucoseregulatie en -controle aanbevolen gedurende de hele zwangerschap; dit geldt ook als een patiënte overweegt zwanger te worden. De insulinebehoefte wordt in het eerste trimester in het algemeen lager en tijdens het tweede en derde trimester hoger. Na de bevalling keert de insulinebehoefte normaal gesproken snel terug naar de waarden van voor de zwangerschap. Borstvoeding Er zijn geen beperkingen voor de behandeling met NovoRapid tijdens de borstvoeding. De insulinebehandeling van moeders die borstvoeding geven, houdt geen risico in voor de baby. Soms is het echter nodig de dosis van NovoRapid aan te passen. Vruchtbaarheid Reproductieonderzoeken bij dieren hebben geen verschillen aangetoond tussen insuline aspart en humane insuline met betrekking tot de vruchtbaarheid.

Volwassenen en kinderen

  • Insulinebehoefte: gewoonlijk 0,5 - 1,0 IE/kg/dag.
  • Te combineren met middellang- of langwerkende insuline, die ten minste eenmaal daags wordt toegediend

Toedieningswijze

  • SC via injectie in de bovenarmen, de dijen, het zitvlak of het abdomen
  • Onmiddellijk voor of na een maaltijd toedienen
  • Men moet de injectieplaatsen afwisselen zodat men dezelfde injectieplaats niet meer dan ongeveer eenmaal per maand gebruikt
  • SC infusie via de buikwand op wisselende plaatsen. In dit geval nooit mengen met andere insulines
  • IV (uitsluitend door bevoegd medisch personeel): NovoRapid 100 E/ml in een concentratie van 0,05 E/ml tot 1,0 E/ml insuline aspart in een infusievloeistof van 0,9% NaCl, 5% glucose of 10% glucose met 40 mmol/l KCl in een infusiezak uit polypropyleen zijn stabiel bij kamertemperatuur gedurende 24 uur
CNK 1576065
Organisaties Novo Nordisk Pharma
Breedte 40 mm
Lengte 87 mm
Diepte 30 mm
Hoeveelheid verpakking 1
Actieve ingrediënten insuline aspart
Behoud Koelkast (2°C - 8°C)